Aaf Brandt Corstius selecteerde Sedaris’ mooiste, ontroerendste en geestigste verhalen
‘Ik kon vrijelijk lurkend aan een plastic emmer met pannenkoekenbeslag door het huis banjeren, maar als bij een van mijn zussen een dun reepje huid over haar bikini bolde, stond mijn vader meteen klaar met zijn mengeling van metaforen. "Jezus, Flossie, je bent toch geen melkkoe? Kijk nou eens naar jezelf. Nog een pondje erbij en je mag de straat niet meer op zonder vrachtwagenrijbewijs" ’ Uit: Een blauw oog en een diamantVan je familie moet je het hebben bevat een zorgvuldig en kundig samengestelde en ingeleide selectie door Aaf Brandt Corstius van David Sedaris’ mooiste, ontroerendste en vooral geestigste verhalen: ze gaan over de dood, over zijn knotsgekke familie, over nudistencampings, over roken, over de zes tot acht zwarte mannen die Sinterklaas assisteren, over dwangneuroses, lichamelijk verval, over shoppen met zijn zus Amy, en over nog meer dood.
‘Waar zou hij zijn pen bewaren?’ Uit: Naakt
Op een middag zat ik aan mijn bureau een brief te schrijven, toen ik een zacht gegons hoorde, alsof er een piep klein autootje naar een hogere versnelling schakelde. Nieuws gierig liep ik naar het raam en daar ontdekte ik in een web iets wat eruitzag als een woedende rozijn. Het was een vlieg die vastzat en net toen ik me naar voren boog om hem beter te bekijken, kwam er een spin aangerend die zijn krijsende prooi meesleurde naar een gesponnen tentenkampje tussen de muur en het raamkozijn in. Het was net als wanneer je getuige bent van een overval op iemand die je haat: drie seconden hardcore geweld en zodra het voorbij is, wil je niets liever dan dat het opnieuw gebeurt.
Ik kan het me nu nauwelijks meer voorstellen dat ik ooit geen praktijkervaring met de Tegenaria duellica had, en toch was er een tijd waarin ik slechts een groentje met een derderangs natuurgids was. Ik wist toen alleen maar dat het een grote spin was die de vorm had van een pelpinda. Zijn kleur was een schakering van roestrood en donkerbruin, zo afgewisseld dat zich op het achterlijf een stippelpatroon had gevormd. Later kwam ik erachter dat de Tegenaria twee jaar oud kan worden en dat dit een volwassen vrouwtje was. Maar op dat moment, toen ik met open mond bij het raam stond, herkende ik alleen maar een intens gevoel van verwondering. Hoe had ik zoveel tijd in dat huis kunnen doorbrengen zonder me ooit te realiseren wat er zich om me heen afspeel de? Als Tegenaria’s nou blaft en of op mijn eten uit waren, had ik ze misschien eerder ontdekt, maar ze waren zo stil en onopvallend als amishboeren. Buiten de paartijd kwamen ze nauwelijks van hun plek af, heel anders dan de wolfsspinnen waar mee ik in Carolina was opgegroeid. Dat waren meer jagers dan vallenzetters geweest. Deze harige beesten van het formaat van babyknuistjes liepen rond in de kelder van mijn ouderlijk huis en ontlokten aan mijn zusjes de langgerekte, ijzingwekkende kreten die we kennen uit films waarin de mummie binnendringt in de kleedkamer van de teergevoelige dame. ‘Maak hem dood!’ riepen ze en dan hoorde ik een stuk of vijf schoenen tegen het linoleum slaan, gevolgd door een wereldatlas of misschien een pianokruk: alles wat maar zwaar en binnen handbereik was.
Ik was ook niet dol op de wolfsspinnen, maar ik had nooit het idee dat ze het per se op mij gemunt hadden. Om te beginnen leken ze niet georganiseerd genoeg. En verder redeneer de ik dat ze hun eigen leven hadden. Dat was een houding die ik van mijn vader had overgenomen, die niets platsloeg wat geen naaste familie van hem was. ‘Jullie meiden zijn nog bang voor je eigen schaduw,’ zei hij altijd, en hoe groot het beest ook was, hij schoof het op een krant en liet het buiten weer vrij. Tegen bedtijd klopte ik bij mijn zusjes aan en voorspelde dat de spin nu naar het dak klom, waar hij even op adem zou komen voordat hij zich door de schoorsteen naar beneden zou laten zakken. ‘Ik heb in de encyclopedie gelezen dat deze specifieke soort bekendstaat om zijn vermogen zijn prooi op te sporen. Als ze eenmaal een slachtoffer op het oog hebben, kan bijna niets ze tegenhouden. Hoe dan ook, welterusten.’ Ze zouden gegriezeld hebben van het huis in Normandië, zoals de meeste mensen, waarschijnlijk. Zelfs toen ik nog geen lid was van de Amerikaanse Arachnologische Vereniging leek het al een spookhuis, met spinnenwebben die als verkiezingsvlaggetjes aan de balken en gordijnroedes hingen. Als er eentje in de weg hing, haalde ik mijn hand erdoorheen. Maar dat veranderde allemaal toen ik die eerste Tegenaria ontdekte – April, noemde ik haar. Nadat ik haar naam op een systeemkaartje had geschreven en het aan de muur had geplakt, breidde mijn belangstelling zich uit tot haar buren. Het raam waar in ze woonden leek wel een portiekflat: het ene huishouden bovenop het andere aan weerszijden van het kozijn. Boven April had je Marty, en dan Curtis en Paula. Aan de andere kant woonden Linda, Russell, Groot Opperhoofd Tommy, en een geslachtloos, sproetachtig gevalletje dat ik Wesley besloot te noemen. En dat was nog maar één raam. Nu ik toch de belangrijkste regel van een goede natuur – documentaire had overtreden – geef je studieobjecten geen namen – ging ik verder en overtrad de volgende: meng je niet in hun leven. ‘Manipuleren,’ zou Hugh het later noemen, maar naar mijn mening klonk dat een beetje alsof ik een gestoorde wetenschapper was. Manipuleren is soorten kruisen of gevechten op leven en dood tussen duizendpoten organiseren. Wat ik deed heette gewoon voeren.
Geen spin, althans niet een die ik bestudeerd heb, wil ook maar iets te maken hebben met een dood insect, zelfs niet als het nog maar net het hoekje om is. Zijn voedsel moet nog in leven zijn en tegenstribbelen, en omdat we in ons huis een vliegenplaag hadden en ik het niet erg druk had, besloot ik een handje te helpen. Naar mijn idee is de beste plek om vliegen te vangen tegen een ruit. Er is iets met het glas wat hen in verwarring lijkt te brengen en ze raken nog verder bedwelmd wanneer je op ze af komt met een open jampot. Zodra er een in zat, schroefde ik het deksel erop en deed ik alsof ik een cocktail schudde. Het kleine lijfje sloeg tegen het glas en terwijl Hugh steeds nadrukkelijker de Gandhi tegen me uithing, herinnerde ik hem eraan dat het om ongedierte ging, over brengers van ziekten die zich te goed deden aan lijken en ver volgens naar binnenkwamen om op ons tafelzilver te dansen. ‘Ik bedoel, kom op zeg,’ zei ik. ‘Je kunt niet met álles medelijden hebben.’
De Tegenaria maakt ‘horizontale matwebben’, zoals ik ze algauw leerde te noemen, dicht geweven trampoline-achtige constructies, die meestal driehoekig zijn en in grootte variëren van het formaat van een opgevouwen zakdoek tot dat van een placemat. Zodra mijn prooi goed duizelig was, draaide ik het deksel los en gooide ik het potje leeg in de richting van de wachtende spin. De vlieg viel eruit en begon, na een paar tellen stil te hebben gelegen, met zijn pootjes te trekken om overeind te krabbelen, een karikatuur van een dronkenlap die bij zijn positieven komt na een nachtje doorzakken. ‘Wel godverdomme...?’ hoorde ik hem bijna zeggen. Op dat moment kreeg hij de vleugels en voorhoofden van eerdere slachtoffers in het oog. ‘Wegwezen hier!’ Een ruisen van voetstappen ergens in de verte, en net toen de vlieg de smaak van futiliteit proefde, besprong het monster hem. ‘En... cut!’ riep ik dan.
Het is besmettelijk. Uit: Wanneer je omringd bent door vlammen
Mijn vriendin Patsy vertelde me een verhaal. ‘Ik zit dus in de bioscoop,’ zei ze, ‘en ik heb net keurig m’n jas over m’n rug leuning gehangen, komt er een kerel aan...’ Op dat punt onderbrak ik haar, omdat ik dat gedoe met die jas nooit begrepen heb. Wanneer ik in de bioscoop of de schouwburg zit, leg ik de mijne opgevouwen op mijn schoot of ik gooi hem over mijn armleuning, maar Patsy spreidt die van haar altijd uit, alsof de rugleuning het koud heeft en ze het onmogelijk naar haar zin kan hebben zolang dit lijden niet verlicht wordt.
‘Waarom doe je dat toch?’ vroeg ik, en ze keek me aan en zei: ‘Bacteriën, suffie. Denk eens aan al die mensen die met hun hoofd tegen die leuning hebben gezeten. Daar word je toch helemaal eng van?’ Ik bekende dat ik er nog nooit bij had stilgestaan.
‘Je zou toch ook nooit op de sprei van een hotelbed gaan liggen?’ vroeg ze, en opnieuw was mijn reactie: waarom niet? Ik zou hem misschien niet in mijn mond stoppen, maar achterover gaan liggen en wat telefoontjes plegen... Ik doe niet anders.
‘Maar je maakt de hoorn toch eerst wel schoon?’
‘Eeuhh. Nee.’
‘Nou, dat is gewoon... gevaarlijk,’ zei ze.
Nog zoiets: ik liep laatst in de supermarkt met mijn zus Lisa, toen me opviel dat ze haar wagentje met haar onderarmen voortduwde.
‘Wat doe jij nou?’ vroeg ik.
‘O,’ zei ze, ‘de stang van een winkelwagentje moet je nooit met je blote handen aanraken. Die dingen wemelen van de bacterien.’
Zijn het alleen Amerikanen, of denkt iedereen zo? In Parijs ging ik een keer naar mijn buurtsupermarkt en daar zag ik een man winkelen met zijn kaketoe, die even groot was als een halfvolgroeide adelaar en meereed op de stang van zijn wagentje.
Ik vertelde dataan Lisa en ze zei: ‘Zie je wel! Wie weet wat voor voetschimmels dat beest allemaal heeft.’ Daar zat wel wat in, maar het is niet zo dat iedereen een kaketoe mee naar de winkel neemt. Na een leven lang boodschappen doen was dat de eerste exotische vogel die ik ooit heb zien rondneuzen op de vleeswarenafdeling.
De enige voorzorgsmaatregel die ik neem is dat ik kleren die ik in een tweedehandswinkel heb gekocht thuis eerst in de was doe – dit nadat ik een keer schaamluis heb opgelopen van een broek uit een uitdragerij. Ik was toen halverwege de twintig en ik zou me waarschijnlijk tot op het bot hebben open gekrabd als een vriend me niet had meegenomen naar een drogist, waar ik een fles kocht met iets wat XTLuis heette. Nadat ik het spul had aangebracht ging ik met een speciale luizenkam door mijn schaamhaar en wat ik toen aantrof was een echte eyeopener: van die kleine monstertjes die zich al weken te goed deden aan mijn vlees. Deze jongens zal Patsy wel in gedachten hebben als ze naar een bioscoopstoel kijkt, en ziet Lisa waarschijnlijk krioelen op de stang van een winkelwagentje.
Maar dat is nog niets vergeleken bij wat Hugh had. Toen hij acht was en in Congo woonde ontdekte hij een rood vlekje op zijn been. Niet heel groot of zo: een muggenbeet, dacht hij. De volgende dag begon het vlekje meer pijn te doen, en de dag daarna keek hij naar beneden en zag er een worm uitsteken.
Hetzelfde overkwam een paar weken later moe Hamrick, zoals ik Hughs moeder, Joan, noem. Haar worm was iets korter dan die van haar zoon. Niet dat het formaat er iets toe doet. Als ik een kind was en iets uit een gaatje in mijn moeders been zag kruipen, zou ik naar het dichtstbijzijnde weeshuis stappen en mezelf beschikbaar stellen voor adoptie. Ik zou alle foto’s van haar verbranden, alles wat ze me ooit had gegeven vernietigen en met een schone lei beginnen, want dat is ronduit walgelijk. Om een of andere reden kan een vader onder de parasieten zitten zonder dat het wat geeft , maar bij een moeder, of welke vrouw dan ook... Dat is echt onvergeeflijk.
‘Nou, dat is wel een beetje seksistisch van je, vind je niet?’ zei moe Hamrick. Ze was naar Parijs gekomen om kerst te vieren, evenals Lisa en haar man Bob. De cadeautjes waren uitgepakt en ze verzamelde het gebruikte cadeaupapier, dat ze met haar handen gladstreek. ‘Het was maar een draadworm. Iedereen had ze om de haverklap.’ Ze keek in de richting van de keuken, waar Hugh iets deed met een gans. ‘Lieverd, waar wil je dat ik dit papier leg?’
‘Verbrand het,’ zei Hugh.
‘O, maar het is zo mooi. Weet je zeker dat je het niet nog eens wilt gebruiken?’
‘Verbrand het,’ herhaalde Hugh.
‘Wat zeiden jullie over een worm?’ vroeg Lisa. Ze lag met een deken over zich heen op de bank, nog versuft van het dut je dat ze net had gedaan.
‘Joan hier heeft een worm gehad die in haar been leefde,’ zei ik. Moe Hamrick gooide een vel cadeaupapier in het vuur en zei: ‘O, ik zou dat niet echt leven willen noemen.’
‘Maar hij zat ín je?’ zei Lisa, en ik zag de radertjes in haar hoofd werken: ben ik ooit na deze vrouw naar de wc geweest? Heb ik ooit haar koffiekopje aangeraakt of van haar bord gegeten? Wanneer kan ik mezelf laten testen? Zijn de zieken huizen open op eerste kerstdag of moet ik tot morgen wachten?
‘Het is heel lang geleden,’ zei Joan.
‘Hoe lang dan?’ vroeg Lisa.
‘Ik weet niet, 1968 of zo.’
Mijn zus knikte, op de manier van iemand die aan het hoofdrekenen is.
‘Juist ja,’ zei ze, en ik had er spijt van dat ik erover was begonnen. Ze keek niet langer náár moe Hamrick, maar dwars door haar heen, en zag wat een röntgenapparaat zou zien: de legpuzzel van botten, met daarbinnen het ge wriemel van duizenden wormen die in 1968 niet uit huis waren gegaan. Ik zag vroeger hetzelfde, maar na een jaar of vijft ien was ik er wel overheen en nu zie ik gewoon moe Hamrick. Moe Hamrick die staat te strijken, moe Hamrick die de afwas doet, moe Hamrick die de vuilniszak buitenzet. Ze wil een goede logee zijn en is altijd op zoek naar iets om te doen.
‘Kan ik misschien...?’ vraagt ze, en voor ze haar zin heeft afgemaakt antwoord ik: ja, ga vooral je gang.
‘Heb jij m’n moeder gezegd dat ze op handen en knieën over de woonkamervloer moet kruipen?’ vraagt Hugh, en ik zeg: ‘Nou nee, dat niet. Ik zei alleen datals ze de plinten ging stoff en, dat de beste aanpak was.’
Wanneer moe Hamrick bij ons logeert, steek ik geen vinger uit. Al mijn huishoudelijke taken komen automatisch op haar neer, en ik zit alleen maar in een schommelstoel en til af en toe mijn voeten op, zodat ze erbij kan met de stofzuiger. Het is ongelofelijk ontspannend, maar het plaatst mij niet in een heel fraai daglicht, vooral als ze iets inspannends doet, meubels naar de kelder sjouwen, bijvoorbeeld, wat alweer helemaal haar eigen idee was. Ik had alleen in het voorbijgaan opgemerkt dat we het dressoir nauwelijks gebruikten en dat iemand het een dezer dagen naar beneden moest brengen. Daarmee doelde ik niet specifiek op háár, hoewel ze met haar zesenzeventig jaar een stuk sterker is dan Hugh haar nageeft . Ze komt uit Kentucky, ze is het gewend om hard te werken. Aanpakken, doorpakken, alles op ‘pakken’ eigenlijk: als je het mij vraagt zit het in haar genen.
Het is pas een probleem wanneer er andere mensen in huis zijn, en ze zien deze frêle, witharige vrouw zich het zweet van het voorhoofd wissen. Lisa en Bob, bijvoorbeeld, die in Patsy’s leegstaande appartement verbleven. Elke avond kwa men ze eten en steevast hing moe Hamrick hun jassen op, waarna ze de servetten streek en de tafel dekte. Daarna schonk ze iedereen wat te drinken in en ging naar de keuken om Hugh te helpen.
‘Je boft maar,’ verzuchtte Lisa, terwijl Joan zich haastte om mijn asbak te legen. Haar schoonmoeder was onlangs naar een woonzorgcentrum verhuisd, het soort instelling dat het woord ‘senioren’ heeft afgeschaft en over de bewoners spreekt als ‘grijze tijgers’. ‘Ik ben stapeldol op Bobs moeder, maar die van Hugh... mijn god! En dan te bedenken dat ze door de wormen is aangevreten.’
‘Nou, technisch gesproken hebben ze haar niet aangevreten,’ zei ik.
‘Waar denk je dat ze dán van leefden? Wil je beweren dat ze hun eigen eten hadden meegenomen?’
Daar had ze ergens wel gelijk in, maar wat eten draadwormen dan? In elk geval geen vet, dan waren ze nooit naar Joan gegaan, die hoogstens veertig kilo weegt en nog steeds in haar schooluniform past. Ook geen spiermassa, dan zou ze nooit mijn huishoudelijke taken kunnen overnemen. Drinken ze bloed? Boren ze gaatjes in botten en zuigen ze het merg eruit? Ik wilde het net vragen, maar toen moe Hamrick terugkwam naar de woonkamer, ging het gesprek onmiddellijk over op cholesterol. ‘Ik wil niet nieuwsgierig zijn, Joan, maar wat is jouw gehalte?’ zei Lisa. Het was het soort conversatie waarvan ik al bij voorbaat was uitgesloten. Niet alleen ben ik nooit getest, ik heb geen idee wat cholesterol precies is. Ik hoor het woord en stel me een bleke jus voor, zelfgemaakt, met klontjes erin.
‘Heb je ooit visolie geprobeerd?’ vroeg Lisa.
Twaalf momenten uit het leven van de kunstenaar. Uit: Ik ooit mooi praten.
Een: Reeds op jeugdige leeftijd had mijn zus Gretchen er blijk van gegeven een opmerkelijk talent te bezitten voor tekenen en schilderen. Haar aquarellen van paddenstoelen met stippen en meisjes met mutsen werden vol trots in de huiskamer opgehangen en de ontwikkeling van haar talent werd gestimuleerd met privé lessen en tekencursussen in zomerkampen. Gretchen, die volgens mijn moeder was geboren met een ‘artistieke inslag’, fladderde in een staat van gezegende wazigheid van bloem naar bloem. Met een dromerige blik omhoog struikelde ze over van alles en liep ze fietsers voor de wielen. Als ze weer een arm of een been in het gips had, bracht ze er met een markeerstift versieringen van margrieten en pluizige wolkjes op aan. Fysiek gesproken was ze vaker opgelapt dan de oervlag van de Verenigde Staten, maar haar geest leek door niets aangeraakt te kunnen worden. Je kon Gretchen alles in vertrouwen vertellen, want je kon er zeker van zijn dat ze zich even later niets anders zou herinneren dan het spel van licht en schaduw op je gezicht. Het was net alsof we een buitenlandse scholier te logeren hadden. Niets van wat we zeiden of deden leek voor haar begrijpelijk te zijn en ze gaf de indruk zich te houden aan de gewoonten en gebruiken van een of ander ver, exotisch land, waar de inwoners gaten in de grond boorden op zoek naar olieverf en pastels plukten van de takken van in hun groei gestuite boompjes. Ze spiegelde zich aan niemand en had een geheel unieke persoonlijkheid ontwikkeld, waarop ik nog afgunstiger was dan op haar artistieke vaardigheden.
Toen Gretchens talenten door haar leerkrachten werden erkend, meenden allebei mijn ouders dat zij daarvoor persoonlijk verantwoordelijk waren. Mijn moeder had als kind graag getekend en geboetseerd en hield ons nog weleens aangenaam bezig met het tekenen van een populaire, uit tekenfilms bekende specht, die ze in rap tempo neerzette. Om te bewijzen dat hij over verborgen talenten beschikte, kocht mijn vader een doos acrylverf en begon op zijn voor de televisie in het souterrain opgestelde schildersezel exacte kopieën van cafégezichten van Renoir en onder puntmutsen schuilgaande koppen van nors kijkende Spaanse monniken te produceren. Hij schilderde straatscènes in New York en op vurige zonsondergangen af rijdende postkoetsen – en toen hij de muren van het souterrain vol had hangen met wat hij had gemaakt, hield hij op met schilderen, even mysterieus als hij ermee begonnen was. Ik dacht datals mijn vader kunstenaar kon zijn, iedereen het kon. Ik jatte zijn palet en zijn kwasten en nam die mee naar mijn kamer, alwaar ik op veertienjarige leeftijd aan mijn langdurige en beschamende blauwe periode begon.
Twee: Toen schilderen te moeilijk bleek, begon ik op halfdoorzichtig doorslagpapier stripfiguren over te trekken, waarbij ik mijzelf voorhield dat ik natuurlijk Mr. Natural zou hebben bedacht als ik een paar jaar eerder geboren was geweest. Waar het op aankwam, was om aan het werk te blijven en mezelf realistische doelen voor ogen te stellen. Anders dan mijn vader, die in het wilde weg het ene doek na het andere had afgescheiden, had ik geen vastomlijnde ideeën over het artistieke leven. Achter mijn bureau gezeten, mijn baret stijf als het kapje van een eikel op mijn hoofd, lanceerde ik mijzelf in de wereld die ik uit de kunstboeken kende die ik uit de bibliotheek had geleend. Ik liet de afgebeelde schilderijen voor wat ze waren en bewonderde de foto’s van de kunstenaars in hun mansarden die, gekleed in kielen vol verfvlekken, met scherpe blikken naar voluptueuze naaktmodellen tuurden. Je dagen doorbrengen in het gezelschap van naakte mannen – dat was het leven voor mij. ‘Ietsje naar links draaien, Jean-Claude. Ik wil graag het speelse van je billen proberen te vatten.’ Ik stelde me voor hoe kieskeurige conservatoren bij mij aan de deur zouden komen om me te smeken nog een tentoonstelling in het Louvre of het Metropolitan Museum of Art te willen houden. Na een lunch met witte wijn en mooie lamskoteletjes, zouden we ons terugtrekken in de herenkamer en over de financiën praten. De resultaten van mijn arbeid stonden me zonneklaar voor ogen – de lange, satijnen sjaals en de tijdschrift omslagen waren voor mij heel reëel. Waar ik me echter nauwelijks een voorstelling van kon maken, was van de kunstzinnige activiteit zelf. De enige onoverkomelijke hobbel in mijn opzet was dat ik kennelijk geen enkel artistiek talent leek te bezitten. Dat dit het geval was, werd me duidelijk toen ik me op school opgaf voor teken- en schilderles. Toen ik een schaal met druiven moest weergeven, had het eind resultaat meer weg van een afbeelding van een stapel zwevende stenen met daaronder een autoband met een wit zijvlak. Tekeningen van mijn zus hingen op prominente plekken in het lokaal, en als de leraar het had over kleurstelling of perspectief verwees hij altijd naar haar werk. Naar alle tentoonstellingen in stad en provincie werd werk van haar ingezonden, maar nooit repte ze met een woord over de blauwe prijslinten die altijd met plakband aan haar kunstwerken bevestigd werden. Als ze erover zou hebben opgeschept, zou het veel makkelijker zijn geweest haar te haten, maar zoals de zaken ervoor stonden moest ik dagelijks worstelen met mijn onvermogen en mijn ontembare jaloezie. Haar vermoorden wilde ik niet, maar ik hoopte wel dat iemand anders het voor me zou doen.



